De 10-jaarsperiode bij Wajong: hoe ver reikt de bewijslast van de aanvrager?
Wanneer iemand op jonge leeftijd geen arbeidsvermogen heeft, kan niet altijd direct worden vastgesteld of dit ook duurzaam is. De Wajong kent daarom een bijzondere regeling voor situaties waarin iemand gedurende een langere periode geen arbeidsvermogen heeft gehad. Als gedurende tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen aanwezig is geweest, kan alsnog worden aangenomen dat sprake is van duurzaamheid.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich in een uitspraak op 30 juni 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:841) nader uitgelaten over deze zogenoemde 10-jaarsperiode. De uitspraak is met name van belang voor mensen die pas jaren later een Wajong-uitkering aanvragen.
De 10-jaarsperiode
Om voor een Wajong-uitkering in aanmerking te komen, moet in beginsel sprake zijn van een situatie waar duurzaam geen arbeidsvermogen wordt vastgesteld op de dag waarop iemand achttien jaar wordt, dan wel binnen vijf jaar na die dag. Dit volgt uit artikel 1a:1, eerste en tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Niet altijd kan echter direct worden vastgesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. De wet biedt daarom de mogelijkheid om ook op een later moment alsnog als jonggehandicapte te worden aangemerkt.
Artikel 1a:1, derde lid, Wajong bepaalt – kort gezegd – dat iemand die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, alsnog als jonggehandicapte wordt aangemerkt wanneer hij gedurende een periode van tien jaar, gerekend vanaf de dag waarop hij bij duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen jonggehandicapte zou zijn geworden, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft gehad.
Dit betekent dat iemand die aanvankelijk niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt, na tien jaar alsnog voor een Wajong-uitkering in aanmerking kan komen wanneer gedurende die periode onafgebroken geen arbeidsvermogen aanwezig is geweest.
Wat moet UWV na tien jaar onderzoeken?
De uitspraak van de CRvB maakt duidelijk dat UWV na afloop van de 10-jaarsperiode niet meer hoeft te onderzoeken of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Als iemand gedurende tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad, wordt de duurzaamheid op grond van artikel 1a:1, derde lid, Wajong aangenomen.
UWV moet wél onderzoeken of gedurende die tien jaar op enig moment sprake is geweest van arbeidsvermogen. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer iemand in die periode heeft gewerkt of een opleiding heeft gevolgd. Het enkele feit dat iemand heeft gewerkt, is volgens de CRvB echter onvoldoende om te concluderen dat sprake was van arbeidsvermogen.
Werk betekent niet automatisch arbeidsvermogen
Er moet worden gekeken naar wat iemand daadwerkelijk deed en hoe iemand tijdens die werkzaamheden functioneerde. Het kan voorkomen dat iemand in het verleden heeft gewerkt, maar dat dit werk niet betekent dat daadwerkelijk sprake was van arbeidsvermogen. Het is daarom van belang om niet alleen te kijken naar het bestaan van een dienstverband, maar ook naar de omstandigheden waaronder iemand heeft gewerkt. Was iemand bijvoorbeeld slechts enkele uren per week werkzaam, was intensieve begeleiding noodzakelijk of kon iemand het werk vanwege medische beperkingen nauwelijks volhouden? Dan betekent het bestaan van een dienstverband niet automatisch dat sprake was van arbeidsvermogen in de zin van de Wajong. UWV moet dit dus zorgvuldig onderzoeken.
Informatie van een voormalige werkgever, begeleider of hulpverlener kan daarbij bijvoorbeeld relevant zijn. Ook de omvang van het werk, de mate van begeleiding, het functioneren tijdens het werk en de reden waarom het werk is beëindigd kunnen van belang zijn.
UWV kan daarom niet volstaan met de enkele constatering dat iemand gedurende de 10-jaarsperiode heeft gewerkt. Er moet worden onderzocht of het functioneren tijdens dat werk daadwerkelijk voldoet aan de criteria voor arbeidsvermogen.
Onzekerheid komt niet zomaar voor rekening van de aanvrager
Een belangrijk onderdeel van de uitspraak is de manier waarop de CRvB omgaat met onzekerheid over de 10-jaarsperiode. Bij een aanvraag die pas vele jaren later wordt gedaan, kan het lastig zijn om nog precies vast te stellen hoe iemand gedurende die periode heeft gefunctioneerd. De CRvB benadrukt echter dat dit niet zonder meer voor rekening van de aanvrager mag komen.
Dat de beoordeling tien jaar terug in de tijd moet plaatsvinden, is namelijk geen gevolg van het feit dat iemand te laat een aanvraag heeft ingediend. Het is juist een gevolg van de wettelijke keuze in artikel 1a:1, derde lid, Wajong om een periode van tien jaar bepalend te laten zijn voor de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen. Volgens de CRvB bestaat daarom geen aanleiding om onzekerheid die door dit tijdsverloop is ontstaan zonder meer bij de betrokkene neer te leggen. Dit is een belangrijk uitgangspunt voor betrokkenen die pas na verloop van jaren een beroep doen op de 10-jaarsregeling.
Wat betekent dit voor een laattijdige Wajong-aanvraag?
De uitspraak van de CRvB biedt duidelijkheid voor betrokkenen die pas jaren na het ontstaan van hun beperkingen een Wajong-aanvraag doen.
Wanneer iemand gedurende tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad, hoeft UWV na die periode niet meer afzonderlijk te onderzoeken of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Wél moet worden onderzocht of in die tien jaar sprake is geweest van een periode waarin de betrokkene over arbeidsvermogen beschikte.
Heeft iemand in die periode gewerkt of een opleiding gevolgd, dan is dat een aanwijzing die nader onderzoek vereist. Het betekent niet automatisch dat sprake was van arbeidsvermogen. Bovendien mag onzekerheid die uitsluitend het gevolg is van het feit dat tien jaar terug in de tijd moet worden gekeken, niet zonder meer voor rekening van de aanvrager komen.
Heeft u op jonge leeftijd geen arbeidsvermogen ontwikkeld en heeft u pas jaren later een Wajong-uitkering aangevraagd? Of heeft UWV uw aanvraag afgewezen omdat niet zou zijn aangetoond dat u gedurende de volledige 10-jaarsperiode geen arbeidsvermogen heeft gehad? Dan kan het van belang zijn om te laten beoordelen of UWV de 10-jaarsperiode op de juiste wijze heeft onderzocht.
Contact
Heeft u vragen over een Wajong-aanvraag of heeft UWV uw aanvraag afgewezen? Neem dan contact met ons op voor nader advies en/of bijstand, zodat we uw situatie en de mogelijkheden voor bezwaar of beroep met u kunnen bespreken. Dit kan via telefoon: ‘046 420 56 60’ of per e-mail: ‘socialezekerheid@kampsvanbaar.nl’ voor nader advies en/of bijstand.



